Op een feestje waar ik niet wilde zijn, raakte ik in gesprek met iemand waar ik niet mee wilde praten.
Hij vroeg wat voor werk ik deed. In de hoop er snel vanaf te zijn, antwoordde ik vaag ‘op een kantoor’.
Daar nam hij geen genoegen mee en hij bleef doorvragen. Ik vermoedde dat glashard liegen het alleen maar ingewikkelder zou maken, dus ik legde uit dat ik in de muziek werk, maar dan achter de schermen.
‘Aha, tweederangs creativiteit,’ zei hij triomfantelijk.
Hij had een punt. Een mooi programma samenstellen, promotieteksten schrijven, dansavonden bedenken, het vergt allemaal wel wat creativiteit, maar het werk is toch vooral gebaseerd op de arbeid van anderen. Artiesten hebben ons niet nodig om liedjes te maken. Oké, misschien zouden ze door minder mensen worden gehoord, maar ons werk houdt redelijk snel op zonder de creativiteit van muzikanten.
Even dacht ik dat ik me had vergist en dat het toch een gesprek zou worden dat de moeite waard zou zijn. Ik vond tweederangs creativiteit in elk geval een prima omschrijving van onze werkzaamheden.
Voor ik dat kon zeggen, vertelde hij dat hij in obligaties handelde. Een beetje muziek maken kon iedereen wel tegenwoordig met al die computers, maar wat hij deed, daarvoor moest je snel kunnen denken, menselijke emoties kunnen inschatten en je vliegensvlug kunnen aanpassen aan je gesprekspartner. Dat was pas échte creativiteit.
Hij was duidelijk nog niet klaar met vertellen, maar ik vond het wel mooi geweest en heb me omgedraaid. Soms zegt een eikel per ongeluk iets moois, maar dat is nog geen reden om er lang mee te blijven praten.
Minke Weeda