Een uitbreiding en andere indeling van het festivalterrein, meer zit- en schaduwplekken, meer randanimatie, een fine dining restaurant, de wedstrijd van Oranje op groot beeldscherm. Pinkpop doet er dit jaar alles aan om de bezoekers voor wie sfeer en beleving randvoorwaarden zijn voor een geslaagd festival, ruimschoots tegemoet te komen. Dat pakt allemaal meer dan goed uit. Voeg daarbij een line-up met voor elk wat wils. Gedroomde headliners, vaste waarden, jong talent, TikTok-acts, vaderlandse toppers, plus de nodige acts uit de alternatieve hoek. Het maakt van dit Pinkpop een editie waarmee de begeerde ‘Champions League’-status in een overvol festivallandschap wordt gewaarborgd. Voor Muziscene vissen Frank Heijthuijsen en Marc Quaedvlieg een aantal krenten uit de overvolle Pinkpop-pap.
Tekst: Frank Heijthuijsen en Marc Quaedvlieg Foto leader: Pinkpop / Martin Hols
Te beginnen met The Beaches. De door de zusjes Jordan en Kylie Miller aangevoerde Canadese popgroep met een indierandje is ongevaarlijker en toegankelijker dan de riot grrrl bands uit de 90’s en levert een geoliede en gelikte set af in de Tent-stage. Zowel qua thematiek (relationele trubbels) als qua songs soms wat generiek, maar met ‘Last girls at the party’ en de onverbiddelijke hit en uitsmijter ‘Blame Brett’, solliciteren The Beaches nadrukkelijk naar een groter podium. En niemand komt ongeschonden uit de loopgraven van de liefde, getuige het massaal meegeschreeuwde ‘blame my ex, blame my ex’.
Het is te hopen dat de zielenpijn van Joachim Liebens een uitlaatklep vindt in zijn songs en dat The Haunted Youth als 113-hulplijn fungeert, anders ziet het er slecht uit voor die jongen. Met een dijk van een tweede album (‘Boys cry too’) onder de arm (en er op in de vorm van een tattoo) bewijst The Haunted Youth het stadium van ‘veelbelovend’ te zijn gepasseerd. Emotioneel geladen shoegaze, vaak bedekt onder een deken van synths, met een frontman die zich ondanks de verzengende hitte volledig smijt. ‘I feel like shit and I wanna die’, ‘Teen rebel’ en de magistrale afsluiter ‘Coming home’ maken duidelijk dat de band klaar is voor een internationale doorbraak. De geprojecteerde zin ‘Don’t kill yourself, I love you’ spreekt boekdelen.
Een uppercut die het over het algemeen altijd lieflijke Pinkpop nodig heeft, zo zou je het optreden van Idles het best kunnen betitelen. Frontman Joe Talbot gaat als vanouds tekeer tegen al het onrecht in de wereld, van fascisme tot kapitalisme en drukt het publiek tevens op het hart om depressieve gevoelens bespreekbaar te houden. Tussendoor woedt er een punkstorm met moshpits en crowdsurfers, die losgaan op ‘I’m scum’, ’Gift horse’ en ‘Danny Nedelko’. De hitte zorgt er bijna voor dat Talbot van z’n stokje gaat. Het a capella geintje ‘All I want for Christmas, is you’ dient om even op adem te komen, waarna het gaspedaal weer wordt ingedrukt. Een oerkracht, een pletwals. Idles laat het veld voor de North Stage verschroeid achter.

‘Give the drummer some’, schreeuwde wijlen James Brown, wanneer z’n funky drummer even los mocht gaan. Een kreet die niet aan dovemansoren is gericht bij Soulwax, dat met drie (!) drummers op stellages aantreedt. Vier zelfs, als je de allerijl ingevlogen Igor Cavalera meetelt. Op het podium vier op maat gemaakte klankentappers met grote ronde draaiknoppen, die als controllers dienstdoen en synths aansturen. Tekst en uitleg over de werking van het spul komt via een voice-over. Wat de broertjes David en Stephen Dewaele daar vervolgens mee aanrichten, is een dansfeest dat zijn gelijke niet kent. Tracks van het politiek getinte laatste album ‘All systems are lying’ vormen de hoofdmoot van een zinderende show. Een stuk ‘Theme from discotheque’ van Samantha Fu (een alias van de Dewaele bros.) en het door een Moroder-synthlijn aangedreven ‘NY Excuse’ doen de Tent-stage ontploffen. Dance-acts die pretenderen hun muziek ‘live’ te brengen: eet jullie hartje uit, dit is next level en ronduit fenomenaal.

Hoe je na een carrière van bijna 50 jaar nog steeds relevant kunt zijn, bewijst The Cure. Het vorig jaar verschenen ‘Songs of a lost world’ kan zich meten met het beste wat de band ooit voortbracht. Robert Smith neemt naast een toupeerkam en een beauty case een hutkoffer vol hits mee, plus een stem die niets aan kwaliteit heeft ingeboet. Verwacht geen instant opwinding, confettikanonnen of andere toeters en bellen. Smith neemt de tijd, getuige de minutenlange intro van opener ‘Alone’ en legt aan het begin van de set een loodzware doemdeken over het publiek, afgewisseld met publieksfavorieten als ‘Pictures of you’, ‘Charlotte sometimes’, ‘Fascination street’ en ‘Just like heaven’. Verlichting komt er aan het eind van de set en in de toegift, wanneer Smith de popkant van The Cure ruim baan geeft, met ‘Friday I’m in love’, ‘The love cats’, ‘Close to me’, ‘Why can’t I be you’ en de gebruikelijke afsluiter ‘Boys don’t cry’. Tegen die tijd heeft The Cure de status van ultieme headliner al lang waargemaakt.
Royel Otis (kernleden Royel Maddell en Otis Pavlovic) treedt aan als viertal. De Australiërs grossieren in aanstekelijke indiepop, die met name bij een jong publiek weerklank vindt. ‘Heading for the door’ is een instant hit, evenals ‘Moody’, dat echter voor controverse heeft gezorgd vanwege de vermeende vrouwonvriendelijke en misogyne lyrics. Royel Maddell ligt tevens onder vuur wegens een relatie met een minderjarige. Mogelijk mag een rechter zich daarover uitspreken, hier beperken we ons gemakshalve maar tot de muziek en die is prima.
Van The Isle of Wight naar één van de hoofdpodia van Pinkpop: Wet Leg heeft in meer dan één opzicht een fikse reis gemaakt. Het duo Rhian Teasdale en Hester Chambers vormt de kern van de band, waarbij Teasdale zich nadrukkelijk als uitdagende en sensuele frontvrouw manifesteert en Chambers liever in de schaduw opereert. Twee door critici en fans aan het hart gedrukte albums en gelauwerde live-shows brengen Wet Leg naar de North Stage. Teasdale beweegt zich in bikinitop en gouden hotpants licht ironisch-seksueel over het podium, maar blijkt geen nachtegaal te zijn qua zang. Nou hoeft dat ook niet, met nummers als ‘Wet dream’ en ‘Pillow talk’ in de achterzak. Wellicht was de Tent-stage een betere optie geweest, ook omdat de setlist muzikaal wat eenvormig lijkt. Nou schrijf je een kneiter en publieksfavoriet als ‘Chaise longue’ ook niet elke dag, al komt ‘CPR’ in de buurt.
Hoe je zo’n Tent-stage in de hens zet, bewijzen de ravepunkers van Fat Dog. Al snel ontstaan er circle pits en danst en springt het publiek het laatste restje energie uit de vermoeide benen. Fiddle en sax voegen wat folky elementen toe aan de georganiseerde chaos. ‘King of the slugs’ maakt het feest compleet.
‘We’re going to squeeze as many fuckin’ songs as possible in this tiny, two hour set’, belooft Dave Grohl. Dat treft, want de vorige passage van Foo Fighters op Pinkpop ontaardde net iets teveel in grappen en grohllen en andere ongein. Waar heb dat ook voor nodig, wanneer je kunt putten uit een hele rits festival anthems. Het adagium ‘Kein geloel, spielen!’ van wijlen Ernst Happel indachtig, houden de Foo’s het dit keer een stuk snediger, met Grohl als animator en volksmenner. Alleen al in de eerste drie kwartier passeren favorieten als ‘The pretender’, ‘Times like these’, My hero’, ‘Learn to fly’ en ‘This is a call’ de revue, plus een stukje ‘Ace of spades’ van Motörhead. Grohl richt zich op fans van het eerste uur en wint ook nieuwe zieltjes, met een generaties overstijgende show. Even terzijde: twee uur lang schreeuwen als een speenvarken doet vermoeden dat Grohl elke dag ontbijt met een bordje Strepsils. Rock ’n roll ! En na 55 edities zit er nog steeds muziek in Pinkpop.
