Met Niemandsland brengt het Zaanse gezelschap De Kift zijn dertiende studio-album uit. Het is de eerste keer dat ik ze recenseer, de eerste keer dat ik een volledig album heb geluisterd. Ik ben er vaak op gewezen: De Kift, da’s geweldig! De Kift, dat moet je echt eens luisteren! Ik nam me dat dan voor, maar of het kwam er niet van, of ik luisterde te kort, vormde snel een oordeel en bedacht dat ik er later nog wel eens op terug zou komen. Niet dus. Maar komt tijd, komt raad en inderdaad ik luisterde naar een album van De Kift. Of ik spijt heb dat het zo lang duurde? Een logische vraag en het antwoord is, ja. Ja, want De Kift heeft heel wat in zijn mars.
Het klinkt als een straatorkest. Met veel koperblazers lijkt de band de luisteraar te willen wakker schudden. Al is het vaak niet zozeer de muziek die urgent is, maar toch vooral de teksten. De wereld gaat naar de kloten en wij, wij dragen daaraan bij. Hoe dan? We zijn toch bij ons volle verstand? We zijn toch wakker, bij de les? De Kift heeft dat allemaal door en neemt ons bij de hand op een tocht door Niemandsland. Dat doet de veelkoppige band met muziek die vaak genoeg prettig in het gehoor klinkt, maar die toch vaak iets onheilspellends heeft.
Vaak is de zang meerstemmig en dat maakt dat je vanzelf wilt meezingen. Maar evenzo vaak is het luisteren geblazen, want of het nu frontman Ferry Heijne is, of de zangeres Roos Janssens die je bij je lurven grijpt, luisteren zal je. Niemandsland is van meet af aan ronduit intrigerend. De band trapt rustig af met de gelijknamige ballade, maar pakt dan voortvarend en meer uptempo door met Dageraad, waarin we op dit album voor het eerst kennis maken met de stem van Janssens, die nog meerdere keren zal terugkeren en die zorgt voor welkome gevarieerdheid.
Niet dat Niemandsland niet gevarieerd is, het is zowel tekstueel als instrumentaal zeer veelzijdig. Luister bijvoorbeeld maar naar Mooi, of naar het ronduit fascinerende De Trompetboom, dat wordt gekenmerkt door wisselende zang, tempowisselingen en meervoudig perspectief. Dat de band niet ten onrechte het stempel fanfarepunk draagt horen we op Wereld Wereld, terwijl Lied Van Mijn Gramschap doet denken aan en allesbehalve onderdoet voor de sound van bijvoorbeeld het illustere Trio Bier. En dat weemoed, die in veel nummers doorklinkt, altijd nog zwartgalliger kan, bewijst De Kift met Vogels, dat gaat over een tijd dat er geen vogels meer zijn: “D’r zijn geen vogels meer / Of Wel? / Nee / Alleen nog in boeken / Ja, alleen in boeken.” Het is meer een dialoog dan een duet. Het tempo is laag, een requiem. Wals, klinkt dan meteen weer een stuk vrolijker, al kun je je afvragen of het geen rookgordijn is, want hoe je het wendt of keert, echt vrolijk wordt Niemandsland nooit.
Mooi is het allemaal wel, dus ja, ik betuig nogmaals spijt dat ik De Kift nu pas ontdek. En nu maar hopen dat het niet te laat is. Want, dat gevoel bekruipt je ongewild bij beluistering van Niemandsland. Maar, ga toch maar luisteren, want ik ben het eens met frontman Heijne wanneer hij stelt: ‘Maar ja, het zijn ook verontrustende tijden. Heeft De Kift dan een oplossing? Nee, denk het niet. Kan De Kift iets betekenen? Ja, denk het wel.’