Swans en Jessica Moss vullen de Nobel in Leiden met een avond vol spanning, intensiteit en sonore kracht. Moss opent solo met haar viool, effecten en bellen. Daarna neemt Swans over: vijf nummers, tweeënhalf uur, een muur van geluid onder leiding van Michael Gira die het publiek meesleept in een fysieke, bijna overweldigende ervaring. Swans is niet zomaar een band; het is iets dat je volledig ondergaat.
Tekst en foto’s: Judith Zandwijk
Locatie : De Nobel | Leiden Datum: 14-11-2025
“No one is free until all of us are free.”
Bekend van haar werk met onder meer Thee Silver Mt. Zion Memorial Orchestra & Tra-La-La Band en Black Ox Orkestar opent Jessica Moss de avond. Alleen met haar viool, een serie effecten en bellen lijken de klanken op te stijgen uit een schemerzone tussen verlies en hoop, haar viool krijst, fluistert, schuurt. Ze eindigt met de woorden: “No one is free until all of us are free.” Die woorden blijven in de lucht hangen wanneer ze van het podium stapt.


De noodzakelijke overgave
Dan Swans. Een band die je niet bekijkt, maar ondergaat.
De eerste noten komen schuchter op, nauwelijks meer dan trillingen. Maar langzaam grijpt die bekende Swans-traagheid de zaal vast. Spanningsbogen worden opgetrokken als kathedralen van geluid, bruut en prachtig tegelijk.
Michael Gira zit centraal, als een priester die tegelijk dirigent, dompteur en menselijke antenne is. Hij gebaart scherp, knikt, zwaait, trekt het geluid naar zich toe alsof hij het met pure wilskracht vormgeeft.
Soms staat hij roerloos, dan weer beweegt hij alsof zijn armen het geluid zelf kneden. De band volgt hem blind.
De intensiteit is meedogenloos. Vijf nummers in tweeënhalf uur. Liedjes kun je het nauwelijks noemen; het zijn opussen, rituelen, massieve structuren die de grenzen van de rede opzoeken. Swans vraagt focus—or beter: overgave. En het publiek geeft die zonder aarzeling. Op Gira’s verzoek blijven zelfs de telefoons in de zak.

Vijf nummers. Tweeënhalf uur. Eén totale vernietiging.
Achter Gira, de onverzettelijke visionaire muzikant, staat een formidabele formatie. Hun spel is instinctief, strak en voortdurend verschuivend: een organisme, geen band. Een organisme dat aan de leiband van Gira wordt gecorrigeerd, bestraft en soms—heel soms—met een glimlach wordt beloond.
The End of Forgetting opent langzaam, verstrooid, als een grote ademteug die zich opbouwt naar iets dat nog geen naam heeft. Dan The Merge, van het meest recente album Birthing, duister en hypnotisch. Phil Puleo legt de basis, Mullins ramt de structuur open, Pravdica en Schechter laten de vloer trillen alsof een interne aardbeving door de zaal trekt. Het middenstuk, met carbine-achtige salvo’s, een baslijn die aan Jaws doet denken en een man die fluit alsof hij iemand achterna zit, is ronduit onheilspellend. Hier wordt ritme herontdekt alsof het iets oerouds is, iets dat altijd al heeft bestaan en nu opnieuw wordt ontketend.
Paradise Is Mine van het album Beggar klinkt elementair, primitief, alsof iemand een vergeten oertijdmelodie uit de grond trekt. A Little God in My Hands van To Be Kind bewijst hoe volledig een Swans-manifest kan klinken: Gira zingt niet, hij verkondigt, iedere noot een bevel, iedere stilte een dreiging.
Het slot, Newly Sentient Being, is een langzaam kantelende kolos. Het geluid schuurt, groeit, zwelt. Gira haalt een mondharmonica tevoorschijn en blaast een toon die de hele zaal even doet opschrikken, een spooksignaal, een epiloog zonder geruststelling.

Langzaam terug de realiteit in
Na afloop en het licht aangaat, kijkt Gira de zaal in met iets dat op rust lijkt, of op overwinning. Hij grijnst naar het publiek en naar zijn band. De trance breekt langzaam. De band neemt met een glimlach het applaus in ontvangst van een publiek dat het bewustzijn nog moet hervinden.
Swans is geen band. Het is een ervaring.

